|
Akoestische luistertoestellen voor het opsporen van vliegtuigen, voor gebruik door de luchtdoelartillerie, was een van de eerste onderwerpen waaraan onderzoek werd verricht. Dit onderzoek leidde uiteindelijk tot de ontwikkeling en productie van een eigen luistertoestel. Tevens werd in een vroeg stadium gewerkt aan de ontwikkeling van middelen voor de elektrische overbrenging van schietgegevens. Rond 1933 was het aantal medewerkers meer dan verdubbeld en kon ook worden begonnen met onderzoek en ontwikkeling op het gebied van radiosondes en radiocommunicatie. Een van de nieuwe medewerkers was Jhr.Ir. J.L.W C. von Weiler, de latere directeur van het LEOK. Hij kreeg in 1934 de opdracht tot de ontwikkeling van een ultrakortegolf zend – ontvanger, hetgeen in 1939 leidde tot fabricage en in 1940 tot ingebruikname door de Koninklijke Landmacht.
Het verrichtte communicatieonderzoek leidde echter ook tot de ontwikkeling van een Nederlandse radar, naar analogie van het akoestisch luistertoestel het elektrisch luistertoestel genoemd.
Vanaf 1934 werden tevens activiteiten ontplooid op het gebied infrarood, zoals het infrarood beveiligingssysteem voor rivieren. Naar de onderzoek gebieden kijkend is in de periode voor 1940 de basis gelegd voor de onderzoek en ontwikkelingsgebieden van het huidige laboratorium.
Tijdens de Duitse bezetting werd het Meetgebouw vanaf 28 juni 1941 opgenomen in de PTT-organisatie als Physisch Laboratorium PTT. Gedurende de Duitse bezetting lag vanzelfsprekend het militaire werk stil, doch werd gewerkt aan civiele opdrachten. Voorbeelden hiervan zijn het hoogfrequent diathermie-apparaat en de gelijkstroomversterker. Ondergronds werd echter wel gewerkt aan een grote omroepzender voor gebruik na de bevrijding. |
|
||
| |