|
Over een basis van
2 meter meet dit apparaat vluchttijden van projectielen komend uit een
kanonloop. Twee van deze apparaten zijn gebouwd voor de Commissie van
Proefneming van de Koninklijke Landmacht. De eerste is in 1955 in gebruik
genomen. De metingen kunnen worden uitgevoerd bij het schieten onder elevaties
van 0° tot 85°. De apparatuur is samengesteld uit twee delen, de fotobalk
en de hoofdversterker.
De fotobalk wordt
geplaatst onder de projectielbaan en bestaat uit twee meetkoppen, verbonden
door een stalen buis op een vaste afstand van twee meter (de basisafstand).
In de meetkoppen bevinden zich optische systemen, fotomultipliers en de
voorversterkers.
Iedere meetkop bevat twee multipliers en een dubbel optisch systeem, zodat
gemeten kan worden over twee onafhankelijke meetbases.

Opbouw van de fotobalk
Bij het passeren van
het projectiel wordt het hemellicht dat op de fotomultiplier valt, voor
een gedeelte onderschept. Het versterkte detectorsignaal wordt in de hoofdversterker
omgezet in impulsen, die in de tijd overeenstemmen met het passeren van
de voor- en achterkant van het projectiel door het lichtscherm.
De verschillende impulsen worden gebruikt als start- en stopsignalen voor
vier elektronische tijdintervalmeters (twee voor- en twee achterkantmetingen).
Uit de bekende basislengte
(2 meter) en de gemeten vluchttijden kan de snelheid worden bepaald.

De fotobalk op statief, dopplerrader en
losse kop voor het meten van
projectielsnelheden onder elevatie.
|