![[TNO-logo]](../images/banner.gif)
In de terminalruimte op het Laboratorium stonden een zestal synchrone 711-terminals.
Synchroon betekende, dat de terminal om de paar seconden "gepold" werd om na te
gaan of er een "verzend het scherm"-opdracht klaar stond. Uitvoer kwam om de paar
seconden bloksgewijs binnen. Deze 711-terminals waren delicate apparaten van zo’n
15 kilo per stuk. Per synchrone lijn waren er twee tot drie terminals aangesloten.
Een buurterminal met veel uitvoer, betekende dat de response-tijd aardig terug
liep. De gebruiker kon overigens deze terminals voor maximaal een kwartier "reserveren".
Om niet geheel afhankelijk te zijn van de grote printer en kaartlezer, schafte het Laboratorium ook een CDC 734 batchstation aan, bestaande uit een console, kleine kaartlezer en printer. Ook de CDC 734 werkte op basis van het UT-200 synchrone protocol.
Een netwerkoverzicht van het Physisch Laboratorium uit april 1978 toont de koppeling van de Calma ("ECAD"-systeem), zeven synchrone terminals (711’s) via twee lijnen, de PDP 11/45 van het PML (MUX200 pakket), een 711-terminal bij de Hogere KrijgsSchool (HKS), het 734-batchstation - alle via 4800 baud synchrone lijnen werkend via het UT-200 protocol - en de PDP bij het LEOK via een 2400 baud synchrone verbinding. Daarnaast waren er via de asynchrone lijnen 8 Newbury-terminals aangesloten (300 baud), één Silent 700 "verplaatsbare" terminal (12 kilo) en een Tektronix 4010 grafische terminal (1200 baud). Later dat jaar werd een Tektronix 4014 grafische terminal aangesloten voor het maken van radar-coverage plaatjes met behulp van het PLOT-10 pakket.
Over storingen gesproken, interactief werken vergde reserveren van een terminal voor 15 minuten, hopen op een redelijke response en een synchrone terminal die niet ging hangen en een systeem dat bleef draaien. Een goede gewoonte was het iedere 5-10 minuten "saven" van het typewerk. In de loop der jaren is door systeemprogrammering veel tijd besteed aan het verrijken van SUEDI met nieuwe mogelijkheden en het versnellen en kleiner krijgen van het programma. Het laatste vergde opdeling van bijvoorbeeld de uitvoering van het SAVE-commando in enkele stappen die als "overlay" geladen werden. De grootste overlay was natuurlijk degene die een "kopje kleiner" gemaakt moest worden om het geheugenbeslag met nogmaals een eenheid van 64 woorden terug te brengen. Soms werd er enkele dagen gebroed op een manier om 2 woorden (4-8 hardware-instructies) te winnen. Uiteindelijk bleek de oplossing de overlay niet met 3-4 woorden kleiner te maken, doch met 100 tot 200 woorden. In enkele jaren is het programma zo qua grootte meer dan gehalveerd tot 2700B woorden (11 KB). Gelijktijdig werden door collega's bij het rekencentrum van de Rijksuniversiteit Groningen nieuwe zoekmethoden voor tekstfragmenten geïmplementeerd, zoals het Booyers-Moore algoritme, hetgeen een versnelling met een factor twee tot tien opleverde afhankelijk van het gezochte tekstfragment.
Omstreeks 1980 werd de meer geheugen vergende (bijna) volledige-versie geïntroduceerd:
SUEDA. Hierbij werden twee 6-bit bytes gebruikt voor de opslag van één
Ascii-teken.
De twee programma’s SUEDI en SUEDA waren vanwege de uitgebreide mogelijkheden
en het kleine geheugenbeslag erg populair bij vrijwel alle Nederlandse rekencentra
die CDC-systemen hadden. Nieuwe SUEDI-ontwikkelingen, operating systeemcorrecties
en ontwikkelde "features" werden uitgewisseld tijdens de INFOSYS-vergaderingen
(Informatie-uitwisseling Systeemprogrammering) die iedere twee
maanden roulerend gehouden werden bij een van de deelnemers. De agenda van de
vergadering bevatte standaard een agendapunt dat nu onder de noemer "shareware"
door het leven zou gaan. Op deze wijze hielpen de "sites" elkaar en werd interessante
systeem- en applicatiecode snel overgenomen en veelal zelfs verder doorontwikkeld.
Zo werd het van CERN, Zwitserland verkregen SCAN-programma door het NLR geconverteerd naar het NOS/BE-platform, werd het eerder genoemde Booyers-Moore algoritme door de Rijksuniversiteit Groningen in het SCAN programma ingebracht en maakte het Physisch Laboratorium RVO-TNO het programma geschikt voor ASCII. Het voormalige IWIS-TNO bracht het programma TOI (Tekstopmaker IWIS) in. TOI maakte op basis van "HTML-achtige" code netjes geformatteerde uitvoer.
Naast de INFOSYS-vergaderingen waren er ook regelmatig vergaderingen van de hoofden Operations. Zij overlegden over problemen met toeleveranciers van materialen, operationele problemen, uitwijk- en uitwisselingsproblemen en het gezamenlijk organiseren van operatorcursussen. Het gastheerschap rouleerde toentertijd langs de verschillende Nederlandse sites met Control Data apparatuur (ACB, ACCU, CDC Nederland, ENR, IWIS, KEMA, Lips, MID, NIKHEF, NLR, RUG, SARA, STC, VROM).
MuseumWaalsdorp@tno.nl