![[TNO-logo]](../images/banner.gif)
De periode 1979-1980 stond in het teken van de snelle expansie van het aantal
asynchrone terminals van het merk Newbury. Bij de selectie door een gebruikerscommissie
speelden vooral zaken als functietoetsen, schermkleur (groen) en weinig ventilatorgeluid
een rol.
Aan de centrale computerkant werd de oude CDC
6671 datacommunicatiecontroller vervangen door de CDC 2551, een mini-computer
met 96 Kwoorden van 16 bits. Deze computer had 32 slots voor Communication
Line Adapter borden (CLA’s). Het Laboratorium had vier synchrone CLA’s en 28
asynchrone CLA’s. Na de overgang werkten de 110/300 baud modems niet meer. Na
het "scopen" van de signalen - systeemprogrammering moest vele vaardigheden
hebben - werd het probleem duidelijk. Door een veel snellere afhandeling
van datacommunicatiesignalen door de 2551 was deze gevoelig voor niet-gestabiliseerde
signalen. De "ring"-indicatie van het modem klapperde dusdanig, dat de programmatuur
de lijn afzette. De oplossing bestond uit het modificeren van het modem met
een grote ‘elco’, die het belsignaal stabiliseerde.
De serieaanduiding 2550 is overigens ontstaan als grap. De ontwerpers hadden
in de kast van Cyber 18, de opvolger van de CDC 1700, wel 1.5 keer zoveel ingepropt
dat deze "half again better was than a 1700". Daarop werd besloten
voor de aanduiding 2550 (1700 x 1.5).
De systeemprogrammatuur van de 2551 was zeer complex. Het bestond uit zo’n 700 pagina’s code in een Pascal-achtige programmeertaal, enkele honderden pagina’s microcode en assembler. Omdat de CYBER werkte met 6-bits code, de PP’s met 12 bits code en de 2551 de programmatuur in 16-bits code uitvoerde moesten er nogal complexe cross-compilatieslagen uitgevoerd worden. Tenslotte diende de 2551 geladen te worden door een PP-programma. Vertaling van een gewijzigde versie vergde dan ook drie tot vier uur doorlooptijd op de CYBER 74.
Begin 1981 werd getracht over te gaan op een nieuwe versie van het interactieve deel van het operating systeem (INTERCOM). De overgang van INTERCOM 4 naar versie vijf ging niet vlekkeloos. De synchrone koppelingen met de PDP’s van het LEOK, PML en IZF werkten niet. De MUX200 geëmuleerde "kaartjobs" gaven de foutmelding "slipped card". Aan de Laboratorium-zijde was niet zichtbaar dat er een job ontvangen was. Ook na het toevoegen van traceringscodes kon niet achterhaald worden wat er precies mis ging. Ook de melding was niet in de systeemsoftware terug te vinden. Reden om een data-analyzer te huren. Na bestudering van de protocolblokken van een batchjob die ingelezen werd op de CDC 734 en een job van het LEOK werd het probleem duidelijk. Een end-of-record kaart vergde een indicatie van twee bytes voor het record level in kaartkolom 1 (Escape E4). De UT-200-emulatie code in de PDP vulde de kaart vervolgens aan met 78 blanko tekens. Onder INTERCOM 4 werd de rest van het kaartbeeld "weggegooid" nadat de E4-code ontvangen was. INTERCOM 5 telde keurig netjes het aantal gelezen kaartkolommen, in dit geval 79. Eén te weinig dus. Na deze analyse werd het probleem spoedig opgelost door het PML waar de PDP-code onderhouden werd.
Om de goede werking van de fotoplotter te demonstreren werd door enkele medewerkers van de Computergroep een nogal uitzondelijke test ontwikkeld. De Computergroep had een collectie zogenaamde "printerplaatjes" gespaard. Dat waren tekeningen die op een printer ontstonden door het herhaaldelijk over elkaar printen van tekens. Specifieke combinaties van tekens hadden op enige afstand gezien andere "grijswaarden". De nieuwe fotoplotter was reden om eens te gaan experimenteren met een van de "pin-up" printerplaatjes. Vrijwel naadloos werd de "borstpartij" nogmaals ingevoegd waardoor de pin-up vier borsten kreeg. Na vertaling van de grijstinten werd de "genetisch" gemanipuleerde schoonheid foto-realistisch afgedrukt op de fotoplotter en heeft jarenlang aan de buitenkant van een kast gehangen.
Om allerlei "CYBER"-vreemde
apparatuur te kunnen koppelen en aan te kunnen sturen werd in 1981 het PDP
11/34 Dataconversiestation (DCS) aangeschaft als vervanger van de imnmiddels
verouderde Cyber 18-17. Het DCS ondersteunde
een negental datastromen, twee voor invoer naar de Cyber
74 en zeven voor uitvoerapparatuur. Deze stromen waren: ponsband lezen (Facit
4020), ponsband ponsen (Facit 4070), aansturen
van de DAISY-wielprinter en de C.ITOH-matrixprinter,
het aansturen van de Calcomp
1051 plotter (mei 1983), het lezen van floppy-disks (14"), het lezen van datacassettes
(Facit 4203), het Micro Development Station en datastromen
van/naar de PDP 11/60 voor uitwisseling
van grafische gegevens.
De PDP 11/34 werkte onder het RSX 11/M operating systeem, had een geheugen
van 256 KB en twee verwijderbare RL02-schijven van 10.4 MB ieder.
Het totale systeem kostte zo'n twee ton.
Besloten werd om voor de koppeling met de CYBER het HASP-protocol te gaan gebruiken. HASP (Houston Automatic Spooling Program) is een door IBM ontwikkeld protocol, dat meer datastromen gelijktijdig over een en dezelfde synchrone lijn toestaat. Na de initiële testen met datatransporten op basis van kaart- en printer"beelden", had de projectleider in maart 1982 ontdekt dat er ook zoiets bestond als transparent HASP. Wederom ontdekte de computergroep een matig uitgetest deel van het INTERCOM-systeem. Zodra de over te sturen transparante buffers groter werden dan de 137 tekens die een "printerregel" kon bevatten, herstartte de CDC 2551 met een foutmelding (en was iedereen zijn ingetypte werk kwijt). Met het oversturen van andere gegevens wist de projectleider de CDC 2551 in een "loop" te krijgen. Tijd voor systematische testen en analyses van de code. Aangetoond kon worden dat een combinatie van twee microcodefouten resulteerde in het "opeten" van geheugenbuffers, waarbij de 2551 steeds trager werd en uiteindelijk met een geheugendump de geest gaf. Na het oplossen van de fouten, werd de informatie in de volgens het protocol grootst mogelijk blokken - enkele Kbytes - overgestuurd. Omdat transparent HASP een eenvoudige vorm van datacompressie toepast, kon een effectieve lijnbezetting van meer dan honderd procent bereikt worden.
Om dit dure systeem optimaal te kunnen benutten, werd besloten om alle programma’s op de CYBER 74 te editen en om alle bibliotheken en data-opslag ook op de CYBER te laten plaatsvinden. De dure en grote CYBER 74 werd daarmee een front-end voor het Dataconversiestation, die op zijn beurt een front-end voor de MDS was. Command Control Language-procedures (CCL) werden ontwikkeld waarmee programma’s in de MDS-queue op de CYBER gezet werden en procedures die vanuit de MDS aangeroepen werden om files en bibliotheken over te sturen.
Reden om in samenwerking met de leverancier zelf de TAB 132/15 code aan te passen
aan de gestelde eisen. Het programma werd door enkele microcode programmeurs
aangepast en op het MDS vertaald. De lokaal aangepaste versie werd daarna in
EPROM "gebakken" en in de TAB 132/15 terminal ingebouwd.
De programmeringsmogelijkheden van de nieuwe terminals gaven ook beveiligingsproblemen.
Zo werden volledige login-boodschappen inclusief de wachtwoorden nog al eens opgeslagen
onder de functietoetsen.
MuseumWaalsdorp@tno.nl