| |
Stoorzenderbouw
Nadat ik enige tijd
voor Gratama had gewerkt, moest ik meehelpen bij de bouw van stoorzenders,
bedoeld om het luisteren naar het nieuws van de zogenaamde Engelse zender
zo goed als onmogelijk te maken door middel van een fluctuerende en min
of meer raspende zwabberende toon, een zeer onaangenaam geluid.
Het waren de jongeren die dat werk moesten doen. Een stoorzender bestond
uit een langwerpige basis van plaatijzer, met haaks naar onder omgevouwen
randen van plus-minus 15 cm hoog, aan de korte zijden voorzien van een
tweetal handvatten. De basis was naar schatting 2 m lang en ¾ m breed.
Daarop stonden o.m. vier grote (zend)lampen van plus-minus 40 cm hoogte,
enkele grote spoelen, 2 of vier forse vertikaal opgestelde plaatcondensatoren,
een zware voedingstrafo en een aantal kleinere onderdelen. Een elektromotor
met getande aluminium schijf op de as completeerde het geheel.
De schijf draaide langs een tweetal condensatoren en veroorzaakte zo de
frequentie-modulatie. De grote condensatoren waren gemaakt van plaataluminium
van drie mm dikte. Ze bestonden elk uit twee platen van plusminus 20 x
30 cm met afgeronde hoeken. Tussen de platen was een geringe ruimte, die
te wijzigen was met stelschroeven. Nadat de stukken aluminium op maat
waren gezaagd, werden de zijkanten gladgeschaafd met een metalen houtschaaf
(de voet ingevet). Er kwamen prachtige glanzende krullen vanaf. Een van
dat materiaal gemaakte onderzetter wordt nog thuis gebruikt, vandaar de
exact aangegeven dikte. De stoorzender in wording stond met de korte zijde
op bokken of kisten, zodat ook aan de onderkant, zittend op de grond,
gewerkt kon worden (goed voor de sabotage).
‘Werkmeister’ Suster had het toezicht op het werk (De Vries bemoeide zich
er niet mee) en kwam dan ook geregeld poolshoogte nemen.

Van links naar rechts de Oostenrijker Hr.Suster, Ab Zuurmond, Willem Cramer,
Theo Keijser,
Henk Stap en Jan Olcdenhof rond één van de Duitse stoorzenders.
Suster en Sarfer
Suster kwam van de Duitse
dienstpost en was voor zover we konden merken geen nazi. We hadden veel
met hem te maken. Hij was een vrij opgewekte man met humor, je kon wel eens
met en om hem lachen. Als hij iets had uitgelegd, zei hij bijv.: ‘Siehste,
siehste, so scheisst man in die Wieste’. Toen een van de ouderen na vakantie
binnenkwam met een baard, begroette hij hem vrolijk met: ‘Guten Morgen Herr
Petrus’ (grote hilariteit). Hij zat vaak in korte broek te zonnen in de
open deur van zijn bergruimte en was verrukt als je zei dat hij ‘al lekker
bruin was’. Je kreeg dan soms een snee brood of een stuk worst van hem (en
daar was het ons eigenlijk om te doen). Al met al had het slechter gekund.
‘Freilich’, zou hij gezegd hebben. Sarfer daarentegen was een echte trotse
Pruis, liep meestal in uniform en kaarsrecht door het gebouw, handen op
de rug en hier en daar een blik werpend. Voor en na een telefoongesprek
zei hij luid: ‘Heil Hitler’. Met hem viel niet te spotten! Voor zover ik
me herinner heb ik hem nooit zien lachen.
Sabotage van de stoorzenders
Desondanks werd er
flink gesaboteerd: bijv. door een potloodstreep op de (zwarte) winding
van een spoel te trekken, waardoor bij het proefdraaien de bedrading doorbrandde;
een lamp die stuk viel of verzwakt werd door hem eerst onder een flinke
spanning te zetten (Steunebrink); verbindingen werden verkeerd gesoldeerd;
onderdelen waren niet te vinden of raakte zoek; zogenaamd druk bezig zijn
maar niets doen, enzovoorts, enzovoorts, vertraging op vertraging.
Een laatste controle voor het vervoer was juist het tegendeel van wat
het had moeten zijn: moeren werden niet aangedraaid, schroefverbindingen
zo los mogelijk gelaten, soldeerpunten ‘geplakt’ en dergelijke. Op een
keer kwam een volkomen uit elkaar geschudde zending retour. Je moest wel
inventief zijn en steeds wat anders verzinnen om niet onder verdenking
te vallen. Het werd stilzwijgend gedaan, maar achteraf wreven we ons in
de handen. Het bleef echter een gevaarlijk ‘spel’.
Het proefdraaien
bestond uit het aansluiten van het apparaat op de netspanning (stekker
in het stopcontact) en het omzetten van de hoofdschakelaar. Suster was
er natuurlijk altijd bij aanwezig en zei ons de linkerhand in de broekzak
te steken om ongelukken door hoogspanning te voorkomen (stroom door hartstreek).
Het was altijd een spannende aangelegenheid: we stonden er als onschuldige
jongens bij en hadden inwendige pret als er weer iets doorpiepte, waarbij
soms de vonken rondspatten. Vooral het doorflitsen van een grote zendlamp
was leuk om te zien, maar ook het knisperend doorbranden van een spoel
gaf voldoening.
We hadden dan moeite om ons gezicht in de plooi te houden en deden erg
verbaasd van ‘hoe kan dat nou?’. Suster intussen was opgewonden en geïrriteerd
over onze ‘onkunde’, riep vertwijfeld:‘Verdammt nochmal’ of ‘scheisse’
en beende weg. Hij kon zo’n tegenslag waarschijnlijk niet aan Sarfer ‘kwijt’
(de verhouding tussen die twee leek me koel).
Vluchtwagen?
In gebouw A - de voormalige
zenderpost van de militaire weerdienst - stond een in mijn ogen enorme vrachtwagen
gestald, die Suster af en toe liet warmdraaien om hem paraat te houden.
Ik moest een keer met hem mee naar A om wat op te halen. Hij zette de grote
deuren open, klom behendig in de cabine en startte de motor. Hij beduidde
te wachten en liep weg. Intussen begon het toerental van de motor op te
lopen tot een enorm gebrul. Gealarmeerd door het lawaai kwam hij aangesneld
en zette hem op stationair gas. ‘Macht nichts’, zei hij lachend, ‘der Engel
lauft wie Teufel’.
De functie van het gevaarte ben ik niet te weten gekomen, mogelijk was het
een vluchtwagen. |
|

Physisch
Laboratorium in 1940
|