|
Rond 1930 begonnen golflengten onder tien meter (of frequenties boven de 30 MHz) professionele aandacht te trekken voor toepassingen. Het was bekend dat deze frequenties niet werden gereflecteerd door geïoniseerde lagen en gemakkelijk beperkt konden worden tot een relatief kleine hoek (bundel). Een object binnen deze hoek, in afmetingen vergelijkbaar of groter dan de bundeldoorsnede verhinderde echter transmissie of ontvangst. De eerste indicaties van belangstelling van de krijgsmacht op dit gebied worden gevonden in 1933. Het Meetgebouw werd toen verzocht om te assisteren bij ontvangst proeven van een vijf meter zender in een vliegtuig en de eisen voor een toekomstige meteorograaf voor een weerballon werden besproken. Bovendien stelde het Meetgebouw een onderzoek voor om elektromagnetische straling onder tien meter, veroorzaakt door de motorontsteking van een vliegtuig, te gebruiken voor plaatsbepaling vanaf de grond. Dat laatste onderzoek werd een aantal jaren later beëindigd omdat storingsonderdrukking nodig was voor de radio-ontvangst door het vliegtuig zelf en omdat de Duitse vliegtuigen werden uitgerust met dieselmotoren. De moeilijkheden zo’n 70 jaar geleden in het ontwerpen van praktische circuits moeten niet worden onderschat. Elk discreet onderdeel en zelfs de bedrading bestond uit een mengeling van weerstand, capaciteit en zelfinductie. Skin-effecten en reistijd van elektronen in buizen speelden een rol. In ontvangers werd het gebrek aan effectieve middelen voor hetzij versterking of frequentietransformatie voorafgaand aan demodulatie opgelost door de zogenaamde "super-regeneratieve" detectie. Deze inrichting diende zowel voor versterking als demodulatie en bevatte een periodiek (b.v. 30 kHz) zichzelf onderbrekend circuit, dat hevig oscilleerde op de te ontvangen frequentie met als belangrijkste nadeel het hoge ruisniveau bij afwezigheid van modulatie. Zenders leverden zelfs een nog groter probleem op om maximaal hoogfrequent vermogen op de antenne te verkrijgen. Dit vereiste zorgvuldige hoogfrequent isolatie tussen het generator circuit en de voeding alsmede het voorkomen van stralingslekken. Ook temperatuureffecten en frequentiestabiliteit speelde een rol. Vanaf 1934 experimenteerde Von Weiler met twee (push-pull) en enkele buis zender ontwerpen tot 1 m golflengte, gebruikmakend van hoogvermogen direct verhitte triodes. |
|
||
| |