Geschiedenis: Physisch Laboratorium tijdens de bezettingstijd

Het Physisch Laboratorium tijdens de bezettingstijd

Van 1941 tot de bevrijding in 1945 heeft de heer Zuurmond bij het Physisch Laboratorium onderdeel van de PTT gewerkt. Op 1 december 2000 heeft hij een bezoek gebracht aan museum “Waalsdorp”. Aan hem is toen gevraagd zijn ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog op schrift te stellen. Hierna volgt zijn verhaal.

Herinneringsverslag van Albert (Ab) Zuurmond, geboren 27 oktober 1925. In dienst van de PTT, Centrale Werkplaats (CWP), Binckhorstlaan Den Haag, 15 april 1941, als aankomend instrumentmaker. Gedetacheerd bij het Physisch Laboratorium, samen met Jan Oldenhof, vermoedelijk kort nadat het laboratorium bij de PTT was ingelijfd, te weten zomer 1941.

Physisch Laboratorium en de bezetting

Het Meetgebouw, na de capitulatie ondergebracht bij de PTT als Physisch Laboratorium was gevestigd langs de rand van de – toen nog volkomen kale – zandvlakte halverwege aan de linkerkant van de zandvlakte gezien vanaf de spoorlijn naar Scheveningen dat nu het tracé van de Landscheidingsweg is. Overigens stond de zandvlakte vaak ten dele onder water.
Van een drietal gescheiden gebouwen op rij, aangeduid met A-B-C, was het eigenlijke laboratorium ondergebracht in het langwerpige B-gebouw. De twee kleinere, A en C, stonden op geringe afstand daarvan en hadden een aanvullende functie. Direct na de bezetting van Nederland was het gedaan met de specifieke taak van het laboratorium, te weten natuurkundig onderzoek ten dienste van de militaire weerbaarheid. De Duitse bezetter bepaalde voortaan het werk. Er kwam een ‘führer’ over het lab in de hoedanigheid van een zogenaamde Einsatzleiter. De toekomst was onzeker geworden.

Het personeel van het laboratorium (vermelding voornaam of voorletters voor zover mij nog bekend) tijdens de bezettingsjaren bestond uit:

  • Hoofd van het laboratorium: ir. J.L. van Soest, een aimabele heer, die voor het personeel zijn hoed afnam. Hij kwam niet veel in beeld en mijn indruk was dat hij een wat teruggetrokken leven leidde op zijn kamer. Hij zat de bezetter eigenlijk in de weg en is dan ook later afgezet, en heeft bij de PTT ‘onderdak’ gevonden. Ir. Gratama is toen aangewezen als hoofd.
  • Staf: ir. Gratama (elektrotechnisch), ir. Piket (natuurkundig) en drs. Mulders (vermoedelijk chemicus).
  • Elektronici: Hendriksen, Insje, Koebrugge, Ten Pas en Piet Steunebrink (versterkerspecialist).
  • Administratie: Willem de Visser (hoofd) en Bart Koppenberg.
  • Tekenkamer: Berkelaar.
  • Instrumentmakerij: meesterinstrumentmaker Nico de Vries (hoofd), meester of gezel Van den Berg, Elkerbout, Van Gijn, Groot, Saeijs, Tabbernee en de jongeren Wim Cramer, Theo Keizer, Jan Oldenhof, Dirk Osseman, Henk Stap, Bertus Vlaardingerbroek en Ab Zuurmond.
  • Onderhoud: timmerman J.C. Riem.

Daarnaast waren er de bezetters van het laboratorium:

  • Einsatzleiter Sarfer, een SD-officier uit Dresden,
  • werkmeester Suster afkomstig uit Linz in Oostenrijk,
  • een brood-NSB’er die “verplicht” in dienst was,
  • en een jongere collega van hem, een Nederlandse zoon van een Duitse vader (later vertrokken).
Plattegrond van het Meetgebouw in 1941
Plattegrond van het Meetgebouw in 1941

Plattegrond van het Meetgebouw in 1941Indeling van het Meetgebouw. Ir. Van Soest had een kamer rechts van de hoofdingang (links voor), de kamer van Sarfer was links. De administratieruimte lag daarachter alsmede de tekenkamer. Vervolgens kwam middenrechts de toegang tot een vrij ruime gang met links en rechts de kamers/ werkruimten van de ingenieurs, de elektronici en Suster, met achteraan nog een bergruimte voor onderdelen en de ingang naar de cv-kelder. De gang eindigde met schuifdeuren die toegang gaven tot de instrumentmakerij.

 

Naast de schuifdeuren naar de gang had de instrumentmakerij nog een eigen ingang aan de achterkant (duinkant) van het gebouw. Het was in feite het nieuwe gedeelte van het laboratorium voorzien van rolluiken. Het oude deel had luiken met pennen. De Vries en Tabbernee hadden elk een sleutel van de achteringang. Wie het eerst ’s ochtends aankwam, opende de deur, want er was nog niemand in het gebouw aanwezig als de ‘handwerkers’ om 8 uur moesten beginnen. Soms stonden we in de regen of bij vrieskou op de sleutel te wachten en dat gaf wel eens aanleiding tot harde woorden!

Ir. J.L. van Soest
Ir. J.L. van Soest

Bij binnenkomst was er een rechthoekige hal, met links de schuifdeuren naar het materiaalmagazijn en rechts de toegang tot de instrumentmakerij. Tegenover de buitendeur was de ingang naar de kantine aan de voorkant van het gebouw achter het materiaalmagazijn. In de hal waren rechts een tweetal toiletten en wastafels en links de deur naar de kamer van De Vries en de garderobe. De eerste taak van de jongeren was elke morgen het vegen van de werkplaatsvloer (een schoonmaakdienst was er niet). De werktijd was 8 uur per dag en ’s zaterdags tot 1 uur.

In mijn herinnering stonden er in de instrumentmakerij de volgende machines opgesteld:

  • twee boormachines
  • een grote draaibank en twee of drie kleinere
  • een freesbank
  • een schaafbank
  • een zaagbank
  • een handzetbank
  • een grote handknipschaar met afvalbak (goed voor eigen werk).

Langs de raamkanten waren lange vaste werktafels van, naar ik meen, 8 plaatsen elk. Tegen de dwarsmuren stonden kasten met klein materiaal. Achter de werkplek van Tabbernee rechtsachter vanaf de gang gezien was de deur naar een kleine smederij. Daarin bevond zich onder meer een smidsvuur met aambeeld, een inrichting voor hardsolderen en een poetsmachine. In de kantine stond voorts nog een klein nikkelbad opgesteld.

Bouw en sabotage stoorzenders. Nadat ik enige tijd voor Gratama had gewerkt, moest ik meehelpen bij de bouw van stoorzenders bedoeld om het luisteren naar het nieuws van de zogenaamde Engelse zender zo goed als onmogelijk te maken door middel van een fluctuerende en min of meer raspende zwabberende toon, een zeer onaangenaam geluid.
Het waren de jongeren die dat werk moesten doen. Een stoorzender bestond uit een langwerpige basis van plaatijzer met haaks naar onder omgevouwen randen van plus-minus 15 centimeters hoog, aan de korte zijden voorzien van een tweetal handvatten. De basis was naar schatting 2 m lang en ¾ m breed. Daarop stonden o.m. vier grote (zend)lampen van plus-minus 40 centimeters hoogte, enkele grote spoelen, twee of vier forse vertikaal opgestelde plaatcondensatoren, een zware voedingstrafo en een aantal kleinere onderdelen. Een elektromotor met getande aluminium schijf op de as completeerde het geheel.
De schijf draaide langs een tweetal condensatoren en veroorzaakte zo de frequentiemodulatie. De grote condensatoren waren gemaakt van plaataluminium van drie millimeter dikte. Ze bestonden elk uit twee platen van plusminus 20 x 30 centimeter met afgeronde hoeken. Tussen de platen was een geringe ruimte die te wijzigen was met stelschroeven. Nadat de stukken aluminium op maat waren gezaagd, werden de zijkanten gladgeschaafd met een metalen houtschaaf (de voet ingevet). Er kwamen prachtige glanzende krullen vanaf. Een van dat materiaal gemaakte onderzetter wordt nog thuis gebruikt, vandaar de exact aangegeven dikte. De stoorzender in wording stond met de korte zijde op bokken of kisten, zodat zittend op de grond ook aan de onderkant gewerkt kon worden (goed voor de sabotage). ‘Werkmeister’ Suster had het toezicht op het werk (De Vries bemoeide zich er niet mee) en kwam dan ook geregeld poolshoogte nemen.

Physics Laboratory in 1941
Van links naar rechts de Oostenrijker Hr. Suster, Ab Zuurmond, Willem Cramer, Theo Keijser, Henk Stap en Jan Olcdenhof rond één van de Duitse stoorzenders.

‘Werkmeister’ Suster kwam van de Duitse dienstpost en was voor zover we konden merken geen nazi. We hadden veel met hem te maken. Hij was een vrij opgewekte man met humor, je kon wel eens met en om hem lachen. Als hij iets had uitgelegd, zei hij bijv.: ‘Siehste, siehste, so scheisst man in die Wieste’. Toen een van de ouderen na vakantie binnenkwam met een baard, begroette hij hem vrolijk met: ‘Guten Morgen Herr Petrus’ (grote hilariteit). Hij zat vaak in korte broek te zonnen in de open deur van zijn bergruimte en was verrukt als je zei dat hij ‘al lekker bruin was’. Je kreeg dan soms een snee brood of een stuk worst van hem (en daar was het ons eigenlijk om te doen). Al met al had het slechter gekund. ‘Freilich’, zou hij gezegd hebben. Sarfer daarentegen was een echte trotse Pruis, liep meestal in uniform en kaarsrecht door het gebouw, handen op de rug en hier en daar een blik werpend. Voor en na een telefoongesprek zei hij luid: ‘Heil Hitler’. Met hem viel niet te spotten! Voor zover ik me herinner heb ik hem nooit zien lachen.

Desondanks werd er flink gesaboteerd: bijv. door een potloodstreep op de zwarte winding van een spoel te trekken, waardoor bij het proefdraaien de bedrading doorbrandde; een lamp die stuk viel of verzwakt werd door hem eerst onder een flinke spanning te zetten (Steunebrink); verbindingen werden verkeerd gesoldeerd; onderdelen waren niet te vinden of raakten zoek; zogenaamd druk bezig zijn maar niets doen, enzovoorts, enzovoorts, vertraging op vertraging. Een laatste controle voor het vervoer was juist het tegendeel van wat het had moeten zijn: moeren werden niet aangedraaid, schroefverbindingen zo los mogelijk gelaten, soldeerpunten ‘geplakt’ en dergelijke. Op een keer kwam een volkomen uit elkaar geschudde zending retour. Je moest wel inventief zijn en steeds wat anders verzinnen om niet onder verdenking te vallen. Het werd stilzwijgend gedaan, maar achteraf wreven we ons in de handen. Het bleef echter een gevaarlijk ‘spel’.

Het proefdraaien bestond uit het aansluiten van het apparaat op de netspanning (stekker in het stopcontact) en het omzetten van de hoofdschakelaar. Suster was er natuurlijk altijd bij aanwezig en zei ons de linkerhand in de broekzak te steken om ongelukken door hoogspanning te voorkomen (stroom door hartstreek). Het was altijd een spannende aangelegenheid: we stonden er als onschuldige jongens bij en hadden inwendige pret als er weer iets doorpiepte, waarbij soms de vonken rondspatten. Vooral het doorflitsen van een grote zendlamp was leuk om te zien, maar ook het knisperend doorbranden van een spoel gaf voldoening. We hadden dan moeite om ons gezicht in de plooi te houden en deden erg verbaasd van ‘hoe kan dat nou?’. Suster intussen was opgewonden en geïrriteerd over onze ‘onkunde’, riep vertwijfeld: ‘Verdammt nochmal’ of ‘scheisse’ en beende weg. Hij kon zo’n tegenslag waarschijnlijk niet aan Sarfer ‘kwijt’ (de verhouding tussen die twee leek me koel).

In gebouw A – de voormalige zenderpost van de militaire weerdienst – stond een in mijn ogen enorme vrachtwagen gestald, die Suster af en toe liet warmdraaien om hem paraat te houden. Ik moest een keer met hem mee naar gebouw A om wat op te halen. Hij zette de grote deuren open, klom behendig in de cabine en startte de motor. Hij beduidde te wachten en liep weg. Intussen begon het toerental van de motor op te lopen tot een enorm gebrul. Gealarmeerd door het lawaai kwam hij aangesneld en zette hem op stationair gas. ‘Macht nichts’, zei hij lachend, ‘der Engel lauft wie Teufel’.
De functie van het gevaarte ben ik niet te weten gekomen, mogelijk was het een vluchtwagen.

Lantern made of 'waste' (1941)
Lamp gemaakt uit ‘afval’ (1941)

Eigen werk. Er werd om te beginnen veel aan reparatiewerk gedaan: alles wat thuis ook maar kapot ging, werd op het laboratorium gerepareerd. Daarnaast maakten we van alles en nog wat (een hanglantarentje met niet minder dan 116 koperen klinknageltjes bijvoorbeeld heb ik nog thuis). Er werd zoveel mogelijk geprobeerd om maar zo weinig mogelijk te produceren en toch zogenaamd aan het werk te zijn. Het was de kunst van het camoufleren, waar iedereen aan mee deed. Naast individueel werk werd in stilte ook gewerkt aan een serie elektrische klokken voor eigen gebruik. Om geen argwaan te wekken werd het werk in onderdelen gesplitst en verdeeld. Zo’n fraaie, geheel metalen tafelklok heeft nog bij ons thuis dienst gedaan. Hij liep op (toen nog) 127 volt netspanning.

Ik herinner me ook nog, dat er op een of andere manier een partij koolzaad was bemachtigd door een van de ouderen. Om de olie er uit vrij te krijgen werd een pers gemaakt, bestaande uit een soort wormwiel draaiend in een cilinder. Het geheel werd op de freesbank vastgezet en ingeschakeld. Het koolzaad kwam via een trechter in het wormwiel terecht waardoor het werd vermalen en samengeperst. De olie drupte in een bakje en de pulp kwam als een vaste worstmassa uit de cilinder. Het werkte niet echt lekker.

Bart Koppenberg kon aan straatpekel komen uit de gemeentelijke opslagplaats. De pekel werd opgelost in water en door middel van filterpapier gezuiverd. Vervolgens werd de oplossing op een kookplaat aan de kook gebracht waardoor het water verdampte en het zout achter bleef, bestemd voor eigen gebruik en bijverdienste. Toegepaste natuurkunde dus! En [veel] later maakten we zogenaamde majo-kacheltjes (ook wel sovjet-kacheltjes genoemd), bedoeld om met heel weinig brandstof te kunnen koken (en verwarmen). Een majo bestond uit twee ijzeren pijpstukken in elkaar: een open buitenmantel van plm. 20 centimeter hoog en 15 centimeter in doorsnee, en een binnenpot met vuurrooster (van grote spijkers), minder hoog en wijd. Het apparaatje werd boven op de kolenkachel gezet, nadat daarvan de deksel was afgelicht. Vervolgens werd er gestookt met alles wat er maar brandbaar was. Soms was er nog een restje antraciet. De verbrandingsgassen streken langs de pan met het schaarse voedsel die er bovenop stond en werden via de buitenmantel – die lekker warm werd – door de schoorsteen afgevoerd. Het kacheltje was een wonder van vernuft en een redding in de hongerwinter. [De majokachel is in 1944 uitgevonden door Johan Bubberman uit Rotterdam]

Nieuws van overzee. In de instrumentmakerij, bij de werktafel van Tabbernee – in de verste hoek vanaf de gang – stond op een kast achter wat dozen een radio afgestemd op de ontstoorde zender ‘Radio Oranje’ vanuit Engeland. Als de kust veilig was, werd hij snel aangezet en de schuifdeuren naar de gang gesloten met een ‘wachtpost’ die door een kier keek. Als Sarfer of Suster in aantocht was, werd de zaak vliegensvlug weer op ‘normaal’ gebracht en was iedereen weer ‘braaf’ aan het werk. Ze vonden het soms wel vreemd de schuifdeuren dicht aan te treffen want die stonden meestal open. Gedacht is daarom aan een elektrisch seintje vanuit een ‘voorpost’, maar ik kan me niet herinneren of dat is gerealiseerd. Ook voor de NSB’er, een wat kleurloze man, moesten we uitkijken. Ik weet nog dat er een keer een verhoring is geweest door Sarfer vanwege een of ander uit de hand gelopen ‘akkefietje’ waarbij hij dreigde met uitlevering aan de SD of SS. Gelukkig is het met een sisser afgelopen. De Vries heeft ons toen nogmaals op het hart gedrukt toch voorzichtig te zijn.

Lunch. De jongeren waren aangewezen om bij toerbeurt elke dag een gamel warm eten te halen bij een van de gaarkeukens in de stad, vermoedelijk was dat die in de Obrechtstraat. Daarvoor was een forse transportfiets beschikbaar, met boven het voorwiel een vierkante stalen drager, waarop de gamel kon staan. Met de lege gamel van de vorige werkdag ging de tocht naar de gaarkeuken waar zwetende mannen met ontbloot bovenlijf in grote dampende ketels stonden te roeren met een soort roeispanen. Dat er daarbij wat transpiratievocht in het eten droop, deerde niemand. Uit zo’n ketel werd ‘onze’ gamel voor driekwart vol geschept, waarna het deksel op de rand werd vast geklikt, het zware geval op de transportfiets gezet en met enkele riemen vastgesjord. Het rijden en manoeuvreren met de geladen transportfiets was bepaald geen pretje, vooral bij slecht weer. Was ‘de man met de fiets’ eenmaal langs de ramen rijdend gesignaleerd – je keek er rijkhalzend naar uit – dan haastte iedereen zich naar de kantine voor een (geëmailleerd) bakje eten dat ter plekke werd opgelepeld. Wim Cramer was degene die meestal het opscheppen voor zijn rekening nam en dat werd gedaan met een halve litervorm aan een lange steel. Het eten bestond veelal uit een soort dunne stampot van koolsoorten, wortelen, bieten, bonen en dergelijke. De bodemrestjes werden onder de jongeren verdeeld. Riem deed de afwas.

Het stationnetje Waalsdorp
Het stationnetje Waalsdorp

De Atlantikwall. Komend vanaf het stationnetje aan de Oude Waalsdorperweg kwam de muur in zicht, die door was getrokken als onderdeel van de ‘Atlantikwall’. De dikke betonnen muur had een soort trapeziumvorm en was zo’n drie meter hoog. Om het laboratorium te bereiken moest je door een opening in de muur, die ‘voorzien’ was van schildwachten. Op vertoon van een ‘Ausweis’ mocht je verdergaan langs het kamp van de Grüne Polizei (voormalig kamp Waalsdorp van de Grenadiers en Jagers), dat tussen de muur en het laboratoriumterrein was gelegen. Het ging dus om ‘Sperrgebiet’. Vandaar het Ausweis dat alle ‘laboranten’ op zak hadden.

Een muur behorende tot de Atlantikwall
Een muur behorende tot de Atlantikwall

Ik herinner me nog, dat toen we daar ‘s-ochtends een keer aankwamen, een rupsvoertuig uit het kamp (bij wijze van oefening?) een plankier op reed dat aan de kampkant tegen de muur was gebouwd. Aan de buitenkant was (nog) geen afrit, zodat het voertuig over de top heen omlaag dook in het zand en de bemanning eruit tuimelde. Vooral niet lachen, was het devies! Dat doet me denken aan een eerder – minder prettig – voorval: ik liep met een collega vanaf het stationnetje richting muur toen een paar Duitse officieren ons inhaalden en opzij drongen. ‘Danke’ zei ik, waarop een van hen terug kwam en snauwde: ‘Wàs danke’ en me vervolgens met de vlakke hand keihard om de oren sloeg. Uitkijken dus!

Grasduinen. We gingen als jongeren, tussen de middag en bij goed weer, wel de vlakte op of de duinen in om te ‘grasduinen’. Er stonden op zo’n 50 meter uit elkaar een tweetal zendmasten van 65 meter hoog op kleine afstand van het laboratorium aan de kant van de duinen. We klommen daar wel eens in om de omgeving te bekijken of om zelfgemaakte vliegtuigjes van balsahout los te laten. De masten hadden op de top een plateautje van ongeveer 2 x 2 meter, waarop je dus gemakkelijk met een paar man kon staan.
Als je de borstwering vasthield en ritmisch ‘meegaf’ (zoals bij een schommel) met twee of drie man dan zag je de mast bewegen ten opzichte van de fundering. Overigens kon je van die hoogte natuurlijk van alles en nog wat in het Duitse kamp zien. Wim Cramer kwam op een keer met een heus kanonnetje aanzetten, een voorlader van plusminus 20 cm lang, compleet met kogels en kruit, alles eigen werk. Deze ‘vuurmond’ hebben we in de duinen afgeschoten: het werkte perfect! Een opgestelde metalen plaat werd bijvoorbeeld doorboord, het was dus echt een dodelijk wapen. Ook maakten we bommetjes van stukjes ijzeren pijp. Eén kant werd in de bankschroef dichtgeknepen, dan werd eigengemaakt kruit (Wim Cramer) erin geschud en de andere kant dichtgeknepen. Vervolgens werden die ‘explosieven’ in de duinen tot ontploffing gebracht door ze op iets brandbaars met kruit vermengd te leggen en dat aan te steken.
Je moest wel in dekking, want ook dat was gevaarlijk ‘speelgoed’ (maar je werkte tenslotte in een laboratorium). Voor ontdekking hoefden we niet bang te zijn, want er werd vaak in de duinen geschoten door de Duitsers. Zowel in het kamp als op het lab was er dus geen argwaan. De ‘ouderen’ hebben waarschijnlijk nooit geweten wat we uitspookten.

De executieplaats Waalsdorp. Het Physisch Laboratorium lag aan de verlaten kale vlakte, dus er was goed zicht op alles wat daar gebeurde. Rijkscommissaris Seyss-Inquart bijvoorbeeld kwam te paard langs met enkele officieren of alleen met z’n dochter voor een duinenrit. Ook waren er (straf)exercities: met de tijgersluipgang door de plassen of in zomerhitte een rondje vlakte, enzovoorts. De meest ingrijpende gebeurtenis die geregeld voorkwam: een executie. Dan reed een geblindeerde gevangeniswagen voorbij op weg naar de executieplaats aan het einde van de vlakte. Daarna marcheerde een vuurpeloton langs, geweer over de schouder en enkele emmers kalk dragend. Vervolgens werd geweervuur gehoord waarna de wagen weer terugreed over de vlakte.
Wat later kwam het vuurpeloton (soms zingend) weer voorbij, richting kamp.
Een enkele keer zijn we in de pauze poolshoogte gaan nemen op de executieplaats, een duinpan achter de eerste bosschages: een angstaanjagende plek.
Er stond in mijn herinnering een paal in de grond. Er waren platgeslagen kogels te vinden en er was omgewoeld zand waarop bloedsporen zichtbaar waren.
Al met al een zeer aangrijpende ervaring, die we zwijgend ondergingen. We liepen wat rond in het zand en keerden stil terug naar het laboratorium. Dat het na de oorlog nog lange tijd heeft geduurd voordat deze executieplaats (nationale) bekendheid kreeg, is voor ons een raadsel.

Herdenkingsmonument Waalsdorp
Herdenkingsmonument Waalsdorp
Herdenkingsmonument Waalsdorp
Herdenkingsmonument Waalsdorp

Physisch Lab ondergebracht bij de PTT op de Binckhorst. Toen de Atlantikwall was voltooid – vermoedelijk eind 1943, begin 1944 – werd het laboratorium verhuisd naar het PTT-complex aan de Binckhorstlaan in Den Haag. Hier waren de Centrale Werkplaats (CWP) en het Centrale Magazijn (CM) van de PTT gevestigd. Het lab werd ondergebracht op de hoogste verdieping van het CM. We konden van daaruit goed de V2’s zien opstijgen (met veel lawaai). Sarfer stond een keer bij ons toen dat gebeurde en glom van trots. De reden van de opgelegde verhuizing was dat heel Scheveningen en het westelijke deel van Den Haag ontruimd moest worden en ‘Sperrgebiet’ werden. De Duitsers wilden bij een eventuele invasie op onze kust een ruim schootsveld hebben. De pottenkijkers in de duinen moesten dus ook ‘heraus’.

Onder het mom van het project ‘hoogfrequent verhitter’ werd in het geheim gewerkt aan de zender ‘Herrijzend Nederland’. Deze werd geassembleerd in een hok op de begane grond van het CWP-gebouw. Ik meen dat alleen Insje de sleutel had van dat hok. Vrijwel iedereen werkte mee aan de zender, hoewel niemand precies wist wat hij vervaardigde en waar het voor diende. Dit was natuurlijk een voorzorgsmaatregel.
De zender zou in dienst moeten komen bij de bevrijding van Nederland vanaf de kust. Doordat de invasie in Frankrijk begon is de zender pas veel later een poos in de lucht geweest, opgebouwd en bediend door Piet Steunebrink en Ten Pas. Hendrikse en Gratama fungeerden als omroepers (ze waren zendamateur).
De studio was ondergebracht aan de voorkant in de top van het CWP-gebouw. Er was een antenne gespannen naar een van de twee gashouders aan de overkant van de Binckhorstlaan, vermoedelijk vanuit het CM-gebouw.

Zender Herrijzend Nederland III in de lucht van mei 1945-1946 (grammofoonmuziek + nieuws) werd bediend door personeel van het laboratorium. Daarna is de zender ingezet als hulpzender op vliegveld Beek.
Zender Herrijzend Nederland III in de lucht van mei 1945-1946 (grammofoonmuziek en nieuws) werd bediend door personeel van het laboratorium. Daarna is de zender ingezet als hulpzender op vliegveld Beek.

Opslag van ingeleverde amateurzenders. In de loop van de bezettingstijd moesten alle zendamateurs hun apparatuur inleveren. Deze zendapparaten stonden opgeslagen in de kelder van het CM-gebouw. We doken weleens de kelder in om te ‘snuffelen’. De zenders, groot en klein, stonden tot aan het plafond opgestapeld, een enorm aantal. Er waren zeer professioneel uitziende exemplaren bij in mooi afgewerkte kasten, maar ook primitief ogende bouwsels. In die kelder stonden ook enkele stalen kasten waarin materiaal was en werd opgeborgen wat uit Duitse handen moest blijven.

Deze zender werd in het geheim gemaakt ten behoeve van het verzet in Nederland.
Deze zender werd in het geheim gemaakt ten behoeve van het verzet in Nederland.

 

Bijbehorende seinsleutel
Bijbehorende seinsleutel

De hongerwinter. Wat de gaarkeuken betreft: we hoorden nu dus bij het PTT CWP/ CM-personeel, dus aten we in de kelder (vanwege luchtalarm) mee met wat de pot schafte; zo rond 11 uur was dat. Het bestond uit dunne stamppot zoals we die op Waalsdorp gewend waren, maar veel eenzijdiger en minder van ‘kwaliteit’, te vaak bieten, als ik me goed herinner. Maar je had altijd honger.
Soms werden etenswaren onder het personeel verdeeld, afkomstig van de PTT: enkele aardappels, wat winterwortelen, een paar suikerbieten, een zakje bloembollen en dergelijke. Kerstmis 1944 was er wat boter en kaas. Op een keer roosterde ik in de pauze wat bloembolringetjes op een kookplaatje toen Sarfer langskwam en vroeg wat het was: ‘Blumenzwiebel?’. Dat wilde hij wel eens proeven, dus nam hij wat, trok een vies gezicht en liep snel door.
In de loop van de hongerwinter, vermoedelijk begin 1945, werd een keer Zweeds brood onder het personeel verdeeld, waarschijnlijk ook vanuit de PTT. In mijn herinnering was dat een half brood per persoon, een traktatie van de bovenste plank. Ik begon er stante pede van te smikkelen en dat deden ze bijna allemaal.

Luchtalarm. Luchtalarm kwam vaak voor, soms meer keren per dag, zeker tegen het eind van de oorlog. Dan ging er ook in het gebouw een sirene via de omroepinstallatie. Iedereen moest dan zo snel mogelijk naar de schuilkelder onder het gebouw, waar je naast elkaar zat op lange banken. Er werd gelezen, gepuzzeld, gekletst enzovoorts. Ik had een – toen populair – zakschaakspel in boekvorm, wat erg handig was om bij het volgende alarm de partij te vervolgen. Als de grond dreunde, viel er een angstige stilte. Er staat me nog iets voor de geest van een proef met gasmaskers in die kelder (in Waalsdorp werd met gasmaskers geoefend in een hut aan de overkant van de vlakte met een man of tien tegelijk en traangas als testgas).

Einde werkverband en terugkeer naar de Waalsdorpervlakte. Van omstandigheden en werk na de bevrijding, herinner ik me niet veel meer. Op 3 december 1945 keerden we terug naar Waalsdorp, maar nu als militair. Ik had me aangemeld als OVW’er bij het onderdeel Verbindingen, gelegerd in de Alexanderkazerne in Waalsdorp, een voor mij bekende omgeving. Het was tevens het einde van mijn laboratoriumtijd, een leerzame periode van vriendschap en saamhorigheid, die mij altijd is bijgebleven. Naslag leerde mij, dat het lab eind 1947 weer is teruggekeerd in Waalsdorp.


Verantwoording

Deze herinneringen heb ik naar beste weten op papier gezet. Ze maken echter geen aanspraak op volledigheid. Door de tijdspanne van meer dan een halve eeuw kunnen veel zaken niet worden ‘teruggehaald’, met name het werk dat buiten onze groep jongeren werd verricht. Daar werd ook niet over gesproken. Er is, dat meen ik te weten, naast civiel-wetenschappelijke opdrachten, verplicht aan Lorenz-zenders gewerkt, waarvan er zegge en schrijve één enkel exemplaar gerealiseerd schijnt te zijn. De vertraging moet dus ook hier enorm zijn geweest. Voornamelijk eigen belevenissen en waarnemingen zijn dan ook hier weergegeven. Het is daarbij verrassend dat, nog zoveel in feite minder belangrijke, maar naar mijn mening aardige en verhelderende details konden worden genoteerd. Een aantal van die kleine voorvallen geeft aan, dat ook in oorlogstijd de boog niet altijd gespannen was.

Graag voldoe ik hiermee aan het verzoek van ir. A.W.M. van der Voort, conservator van het Museum Waalsdorp, om hiervoor herinneringen vast te leggen over het wel en wee van het laboratorium en zijn medewerkers tijdens de bezetting van Nederland. Bij het bezoek aan het museum heeft hij mij door middel van documentatie en foto’s nog op enkele interessante bijzonderheden kunnen wijzen. In overleg met hem besloot ik het lantaarntje, vermeld onder ‘eigen werk’ aan het museum te schenken onder voorwaarde dat het in de zichtcollectie wordt opgenomen. Hiermee werd van harte ingestemd. Wim Cramer en Piet Steunebrink dank ik voor een aantal waardevolle aanvullende gegevens en tips, die zij aan mij doorgaven na lezing van het concept.

Ab Zuurmond (2002)