Geschiedenis: Rijswijk en Ypenburg

De geschiedenis van TNO Defensieonderzoek te Rijswijk en Ypenburg

De oorsprong

Laboratoriumonderzoek voor de Nederlandse defensie startte in 1838 met het Scheikundig Laboratorium te Delft dat behoorde bij de eveneens in de omgeving van de Paardenmarkt gelegen Pyrotechnische Werkplaats Delft. Mét een aantal andere voorzieningen zullen deze werkplaatsen later officieel ‘Artillerie-Inrichtingen‘ heten, een naam die trouwens al in zwang was. De werkzaamheden van het laboratorium zullen overeenkomst hebben vertoond met wat later nog geruime tijd de kern zal uitmaken van het technologisch-chemisch defensieonderzoek: de karakterisering en keuring van stoffen, materialen en munitiecomponenten als ontstekers, slaghoedjes en buskruit. Systematisch speurwerk, gericht op de verbetering van productieprocessen -technologieverbetering dus- zal niet zozeer aan de orde van de dag zijn geweest, en, voor zover bedreven, nog lang een overwegend empirisch karakter hebben.

Na 1880 wordt het duidelijk dat de locatie in Delft zich niet leent voor de noodzakelijk geachte uitbreiding van het bedrijf. Het oog valt dan op een nieuw, ruim terrein op het Hemveld bij Zaandam. In 1895 wordt met de bouw van de Artillerie-Inrichtingen begonnen. Bij de eeuwwisseling heeft de verhuizing plaats en wordt de door de betrokken Delftenaren als emigratie gevoelde overplaatsing een feit; tezamen met de magazijnen en werkplaatsen verhuist ook het Scheikundig Laboratorium. Zijn de medewerkers met hun minder gezellige omgeving niet al te gelukkig, bedrijfstechnisch is de nieuwe locatie uitstekend gekozen: goed transport over water en rail, en met voldoende uitbreidingsmogelijkheid. Bovendien is er geen stedelijke bebouwing in de directe omgeving, die ingeval van bedrijfsongelukken gevaar kan lopen.

De eerste wereldoorlog geeft nieuwe impulsen aan het onderzoek. Per geheime beschikking wordt door de regering de Commissie voor de Chemische Strijdmiddelen ingesteld. Bij Defensie gaat het niet alleen om een verhoogde vraag naar de gebruikelijke activiteiten. Er is aandacht voor een geheel nieuw facet van de moderne oorlogvoering: het gebruik van chemische strijdmiddelen als fosgeen en mosterdgas.
In Nederland leidt dit tot aanschaffing van beschermingsmiddelen, in de eerste plaats van gasmaskers. Aanvankelijk zijn deze van Engelse makelij. Later zorgen de Artillerie-Inrichtingen voor productie in eigen land. Ook wordt ontsmettingsonderzoek uitgevoerd. Voor testdoeleinden worden daarom kleine hoeveelheden strijdgassen vervaardigd.

De in de dertiger jaren gereorganiseerde adviescommissie ter bestudering van het strijdgasvraagstuk, doet dan ook als vanzelf een beroep op het hoofd van het Scheikundig Laboratorium, Ir. A.J. der Weduwen, om als secretaris tot de commissie toe te treden.
In het kader van de voorbereidingen op een mogelijke oorlog werd in 1939 het Centraal Laboratorium van het Algemeen Hoofdkwartier van de Generale Staf opgericht speciaal belast met research inzake de ‘chemische dreiging’. Dit stond onder leiding van de ‘Commissie nopens Chemische en Aanverwante Strijdmiddelen’. Nauwe samenwerking met het meer materieelgerichte Scheikundig Laboratorium stond daarbij op de voorgrond.
Intussen is aan de Lange Kleiweg te Rijswijk een tweede vestiging van de Artillerie-Inrichtingen voor munitiefabricage verrezen. Ook keert in 1939 het Scheikundig Laboratorium in Delft terug. Het wordt dan met een bezetting van rond 15 medewerkers gehuisvest in het gebouw voor Chemische Technologie van de Technische Hogeschool aan de Poortlandlaan (nu Julianalaan) 134, Delft.

Julianalaan 134, Delft
Poortlandlaan (nu Julianalaan) 134, Delft

Tijdens de Duitse bezettingsjaren

Na het uitbreken van de oorlog in 1940 slaagt het Scheikundig Laboratorium er in om in 1943 als ‘Laboratorium Poortlandlaan‘ in de Organisatie TNO schuil te gaan. De Poortlandlaan te Delft is later omgedoopt tot Julianalaan.
Ter overleving wordt onderzoek op landbouwkundig gebied verricht: bepalingen aan gedroogd gras, zetmeel, stro, turf, en dergelijke. Onder deze paraplu gelukt het de bezettingsjaren redelijk ongehavend door te komen. Ook de werkzaamheden van de Artillerie-Inrichtingen zelf komen tot stilstand; daar weet men van de nood een deugd te maken door de productie van landbouwmachines.

Op het Centraal Laboratorium wordt na de val van de Grebbelinie op de 14e mei 1940 besloten dat het researcharchief of vernietigd of in veiligheid gebracht moet worden. Het archief wordt dezelfde dag nog met het schip de ‘Scheveningen VI’ naar Londen overgebracht. In Leiden blijft dr. P.A. Jonquière achter. Hij krijgt de leiding van het laboratorium en moet de lopende zaken afwikkelen.
Op Britse bodem worden de werkzaamheden onder de naam ‘Centraal Laboratorium, afdeling Londen’ voortgezet onder supervisie van de Nederlandse autoriteiten. In materiële zin ressorteert het onder het Britse Ministry of Supply, dat voor de nodige faciliteiten zorgt.
Deze ‘Engelse periode’ wordt voor het latere onderzoekprogramma in eigen land van richtinggevende betekenis. Niet alleen omdat in de oorlogsjaren het eigen werk kan worden voortgezet, ook kan -in het bijzonder door het deelnemen aan de vergaderingen van de intergeallieerde Chemical Board- in ruime mate kennis worden genomen van de onderzoekingen der bondgenoten. Bovendien komen in die jaren vruchtbare persoonlijke contacten tot stand; na de oorlog wordt de internationale samenwerking hierdoor zeer vergemakkelijkt.
Aandacht wordt besteed aan de dreiging van min of meer bekende agentia als blauwzuur, chloorcyaan, fosgeen, mosterdgas, cadmium- en arseenverbindingen. Hieruit resulteert onderzoek op het gebied van detectie, ontsmetting, beschermende kleding, gasmaskers.

Intermezzo: sinds de oprichting in 1937 had TNO de intentie om over een eigen terrein met eigen laboratoria te beschikken. In de oorlog kreeg TNO ongeveer de helft van een terrein aan de Lange Kleiweg te Rijswijk bij Delft dat in gebruik was bij de Artillerie-Inrichtingen. Het departement van Financiën verleende medewerking om de benodigde koopsom in vier jaarlijkse termijnen van ƒ 50.000 te kunnen voldoen en werden op het terrein met spoed een vijftal (bescheiden) laboratoria ingericht voor het Centraal Instituut voor Materiaalonderzoek.

Na de Tweede Wereldoorlog

Na afloop van de oorlog is er een sterke tendens, het wetenschappelijk onderzoek voor de defensie te bundelen en op andere leest te schoeien. Het blijkt dat de Organisatie TNO een uitstekend kader vormt voor het onderbrengen van deze tak van research. Op 6 juli 1946 stemt het kabinet in met het plan voor een Bijzondere Organisatie onder de Centrale Organisatie TNO waarin het natuurwetenschappelijk onderzoek ten behoeve van de Rijksverdediging kan worden gebundeld bij een rechtspersoon met publiekrechtelijk karakter. Op 12 juli 1947 wordt de RijksVerdedigingsOrganisatie (RVO-TNO) met haar zetel ‘s-Gravenhage opgericht. Voorzitter is prof.dr. G.J. Sizoo. TNO-RVO biedt ook onderdak aan het Scheikundig Laboratorium van de Artillerie-Inrichtingen (A.I.), dat dan als Technologisch Laboratorium RVO-TNO verder gaat. Directeur wordt Ir. A.J. der Weduwen, die in de aanloopfase ook al als secretaris van het bestuur van de Rijksverdedigingsorganisatie heeft gefungeerd. Het min of meer verwante Centraal Laboratorium van de krijgsmacht ondergaat de metamorfose tot Chemisch Laboratorium RVO-TNO. Van eigen huisvesting is dan nog geen sprake; zowel het Technologisch als het Chemisch Laboratorium zullen nog geruime tijd ‘op kamers’ aan de Julianalaan 134 te Delft verblijven.

Bij het technologisch onderzoek wordt de draad van vóór de oorlog weer opgepakt: keuringswerk voor de krijgsmacht, niet alleen trouwens op het gebied van explosieve stoffen. Ook onderzoek wordt ook verricht aan allerlei andere materialen die bij de krijgsmacht in gebruik zijn, zoals oliën, was en smeermiddelen. Het contact met de Technische Hogeschool, die later vertegenwoordigd zal zijn in de zogenaamde Commissie van Bijstand, betekent bij dit werk een belangrijke steun.

Intussen verrijst aan de Lange Kleiweg te Rijswijk, op bekend terrein, een eigen researchcomplex voor beide genoemde laboratoria benevens het in Leiden zetelende Medisch Biologisch Instituut (MBI). Het in 1947 opgerichte MBI, later Medisch-Biologisch Laboratorium (MBL), paste farmacologisch, moleculair biologisch en biofysisch onderzoek geïntegreerd toe voor de opheldering van de moleculaire processen in het zenuwstelsel, in het immuunsysteem en bij het onderzoek van het genetisch materiaal (DNA). Met deze kennis werd voor Defensie gewerkt aan enerzijds de bescherming tegen radioactieve, chemische en biologische strijdmiddelen en anderzijds aan de behandeling van de gevolgen van deze strijdmiddelen zoals zenuwgasvergiftiging.
Op 29 januari 1954 opende Z.K.H. Prins Bernhard het gebouw van het MBI aan de Lange Kleiweg.

In de loop van 1956 betrekt het Technologisch Laboratorium de nieuwe behuizing in het naastgelegen Prins Maurits Gebouw. Het Chemisch laboratorium volgt in 1957. De opening van het nieuwe gebouw van beide instituten vond plaats op 17 april 1957 door de Minister van Defensie.

Relief naar ontwerp van Prof. O. Wenckenbach dat Prins Maurits en Simon Stevin afbeelt. Op de achtergrond vijfhoekige bastions, een zeilwagen, 'Wisconstighe Ghedachtenissen', waterbouwkunde (molen), evenwichtswet voor hefbomen en de 'clootcrans'. Het relief hangt in het Prins Maurits Lab gebouw aan de Lange Kleiweg, Rijswijk.
Reliëf naar ontwerp van Prof. O. Wenckenbach dat Prins Maurits en Simon Stevin afbeeldt. Op de achtergrond vijfhoekige bastions, een zeilwagen, ‘Wisconstighe Ghedachtenissen’, waterbouwkunde (molen), evenwichtswet voor hefbomen en de ‘clootcrans’. Het reliëf hangt in de hal van het Prins Maurits Laboratoriumgebouw aan de Lange Kleiweg, Rijswijk.

 

TNO locatie Plaspoelpolder, Lange Kleiweg, Rijswijk
TNO locatie Plaspoelpolder, Lange Kleiweg, Rijswijk

Ook dan nog zijn de voornaamste laboratoriumzalen van het Technologisch Laboratorium die voor kruitkeuring en chemische analyse. Voor het werken met extreem gevoelige stoffen, als bijvoorbeeld zilverazide, wordt overigens dankbaar gebruik gemaakt van de van vroeger uit de AI-tijd overgebleven buitengebouwen die destijds al ingericht waren voor het werken met explosieve stoffen.
Geleidelijk komt een verdere specialisatie tot stand. Zo wordt een separaat laboratorium voor explosieveiligheid ingericht.

Begin zestiger jaren start het raketmotoronderzoek onder leiding van de latere directeur Dr. E.W. Lindeijer. Onderzoek aan de functionering van munitie wordt meer de dagelijkse routine. Wel vraagt tezelfdertijd de krijgsmacht aan TNO om een bijdrage te leveren aan verdere ontwikkeling van soorten munitie of componenten daarvan ter assistentie van de Nederlandse industrie, bijvoorbeeld van Eurometaal Zaandam of MuidenChemie. Dit is dan weer een stimulans, explosieve processen meer fundamenteel te bestuderen. In dat verband doen ultrasnelle fotografie en de Röntgenflits hun intrede; nieuwe onderzoekbunkers worden gebouwd. Daarnaast heeft het instituut ook een educatieve functie: Het geven van cursussen aan munitie-technische officieren in opleiding.

Vanaf 1969 is het laboratorium nauw betrokken bij de VN-ontwapeningsbesprekingen betreffende chemische oorlogsvoering. Daarnaast wordt de expertise ingezet voor militaire arbeids- en milieuhygiëne, batterijonderzoek en civiele onderwerpen.

In de zeventiger jaren – Dr. E.W. Lindeijer is inmiddels als directeur van het Technisch Laboratorium opgevolgd door Dr.Ir.H.J.Pasman. Hij verschuift het karakter van het werk van chemisch naar overwegend fysisch. Het begint al met de kruitkeuring, waar research naar een nieuwe methode van onderzoek, gebaseerd op een gevoelige meting van de warmteontwikkeling vruchten begint af te werpen. Geleidelijk gaat de uitwerking van de effecten van explosieve reacties hoofdonderwerp worden: Inwendige en eindballistiek doen hun intrede, alsook het ‘blast’-onderzoek met behulp van ‘blast’-simulatoren.
Tegelijkertijd begint de vernieuwing van de technologie voor de aanmaak van explosieve ladingen. Niet alleen de krijgsmacht profiteert van dit explosieonderzoek. Een belangrijke civiele spin-off is gelegen in het explosieveiligheidswerk voornamelijk in opdracht van de Nederlandse procesindustrie en overheidsinstanties verantwoordelijk voor de veiligheid van de productie, transport en opslag van explosiegevoelige stoffen.
Het werk van het Chemisch Laboratorium richt zich meer op beschermingsmaatregelen.

In de tweede helft van de zeventiger jaren worden de experimentele faciliteiten van het Technologisch Laboratorium in toenemende mate aangevuld met de ontwikkeling van rekenmodellen. Ballistische codes en stromingsmodellen dragen bij tot het verruimen van het inzicht in de complexe, met zeer hoge snelheid verlopende processen. Voor dit en ander werk is de computer een absolute voorwaarde. Op vele plaatsen in het laboratorium verschijnen de inmiddels zo vertrouwde beeldschermen.
Kwetsbaarheidsanalyse wordt mogelijk en de effecten van wapens en munitie tegen doelen kunnen worden geëvalueerd. Met een naar verhouding kleine groep mensen is van diverse vlieg-, vaar- en voertuigen de kwetsbaarheid voor een spectrum van dreigingen bepaald.

Prins Maurits Laboratorium TNO 

Op 1 januari 1979 werd het Prins Maurits Laboratorium TNO (PML-TNO) in het leven geroepen als een fusie van het Chemisch Laboratorium TNO en het Technologisch Laboratorium TNO. In hetzelfde gebouw was nog een derde instituut gehuisvest, het Medisch Biologisch Laboratorium TNO (MBL), dat oorspronkelijk ook tot de RVO behoorde. In 1978 is het MBL echter overgeheveld naar de Gezondheidsorganisatie TNO. De samenwerking tussen PML en MBL blijft ook daarna hecht.

PML, Lange Kleiweg 137, Rijswijk
Prins Maurits Laboratorium, Lange Kleiweg 137, Rijswijk

De systeemanalytische aanpak van wapen-doel-interacties in de periode 1980-1985 heeft het inzicht in de wapentechnische sleutelparameters die de uitkomst van het gevecht voor een belangrijk deel bepalen, sterk verbeterd. Dat geeft de mogelijkheid ook internationaal bij te dragen tot nieuwe ontwikkelingen van munities en geleide projectielen.
Op nationale basis wordt dit type activiteiten te kostbaar geacht, met uitzondering dan van het zogenaamde Goalkeeper nabij-verdedigingssysteem voor de Koninklijke Marine, nabijheidsbuizen en van sommige kardoesontwikkelingen, waarvoor bouwstenen zijn geleverd.

Vanaf 1985 wordt door Defensie het doen van technologisch ontwikkelingswerk bij het bedrijfsleven gestimuleerd, onder andere om ook beter voorbereid te zijn op productontwikkelingen, coöperaties en coproducties in internationaal verband. De Technologische Research staat hierbij het bedrijfsleven ter zijde met specialistische hulp en onderzoekfaciliteiten voor de technologische ontwikkeling van lichte pantsermaterialen en van kunststofgebonden explosieve stoffen.

In 1988 viert het Prins Maurits Laboratorium een aantal jubilea tegelijkertijd: 150 jaar defensieresearch, 40 jaar Chemisch en Technologisch Laboratorium en 10 jaar Prins Maurits Laboratorium. Binnen het instituut zijn dan de volgende researchgroepen actief:

  • Analytische Chemie
  • Organische Chemie en Biochemie
  • Protectie en Risicoanalyse
  • Munitiefunctionering en Explosieve Stoffen
  • Ballistiek en Rakettechniek
  • Wapenuitwerking
  • Pulsfysica
  • Explosieveiligheid 

De volgende naamsverandering

De Rijksverdedigingsorganisatie TNO is – net als de andere bijzondere organisaties van TNO – bij een reorganisatie in 1980 opgeheven en heette sindsdien de Hoofdgroep voor Defensieonderzoek, later aangeduid als TNO Defensieonderzoek.
Op 31 december 2005 besluit TNO de afzonderlijke TNO-instituten (laboratoria) op te heffen. PML-TNO is daarbij opgegaan in het TNO kerngebied TNO Defensie en Veiligheid (TNO DV).
Op 1 januari 2011 wordt de TNO kerngebiedenstructuur opgeheven en is TNO omgevormd tot één TNO. Sindsdien wordt gesproken over de locaties Rijswijk Plaspoelder en Den Haag-Ypenburg die naast de locaties Den Haag Waaldorp en Soesterberg werken voor de TNO unit Defence, Safety and Security (DSS).

In het najaar van 2018 en het voorjaar van 2019 is een groot deel van de Defensie en Veiligheid-werkzaamheden verhuist van de Lange Kleiweg te Rijswijk naar nieuwe faciliteiten op Ypenburg. Op 23 mei 2019 werden die nieuwe faciliteiten voor de afdelingen Energetic Materials en Explosives, Ballistics and Protection officieel geopend door de minister van Defensie mw. Bijleveld-Schouten.

TNO locatie Den Haag IJpenburg
TNO locatie Den Haag Ypenburg

 

Draai- en kantelplatform voor het beschieten van gepantserde auto’s bij TNO Ypenburg (foto (c)TNO)
Opening TNO Ypenburg door Minister van Defensie op 23 mei 2019

 

 

Bronnen
  • H.J. Pasman (1988), “150 jaar technologische research -In vogelvlucht-” en
    H. Zelm “40 jaar chemisch defensieonderzoek in Nederland” in: “Prins Maurits Laboratorium TNO: Veelzijdig en Dynamisch“, Redactie: Th.M. Groothuizen
  • Een kwarteeuw TNO 1932-1957, Gedenkboek bij de voltooiing van de eerste 25 jaar werkzaamheid van de organisatie TNO op 1 mei 1957