Infraroodtechniek: periode 1934 – 1959

Infraroodtechniek (1934 – 1959)

In 1934 werd de Commissie voor Physische Strijdmiddelen verzocht om proefnemingen te doen met onzichtbare stralen naar aanleiding van een suggestie van de Lt. van der Mark van het Korps Pontonniers en Torpedisten. Die wilde een detectiemiddel om bij nacht en mist vijandelijke schepen te kunnen waarnemen. Daarmee zou men de rivierversperringen met grondmijnen kunnen activeren. In 1936 werden de eerste proeven genomen met een infrarood-knipperlicht (zie ook: “Achtergrond: wat is infrarood?” onderaan deze pagina). De ontvanger gebruikte een zogenaamde talloïdcel. Tussen 1937 en 1939 volgde een periode van proeven en verbeteringen. Er werd onder andere geëxperimenteerd met meer infrarode bundels over de rivier heen zodat de juiste grondmijn van de versperring op het juiste tijdstip zou ontploffen. Fabricage van het systeem werd in 1939 door de Artillerie-Inrichtingen ondergebracht bij de N.V. Nederlandsche Instrumentenfabriek Waldorp te Den Haag. Het systeem werd gebruikt door het Korps Pontoniers en Torpedisten en was in de meidagen van 1940 actief als rivierversperring over de Merwede zonder dat er mijnen op aangesloten waren. De verantwoordelijk commandant was Jo Mussert.

 

Infraroodontvanger riviersperring (1939)
Infraroodontvanger riviersperring (1939)

 

Infraroodzender riviersperring ingebouwd in vrachtautokoplamp (1939)
Infraroodzender riviersperring ingebouwd in vrachtautokoplamp (1939)

 

Voeding van de infraroodriviersperring (1939)
Voeding van de infraroodriviersperring (1939)

 

Ontsteker mijnen van riviersperring (1939)
Ontsteker mijnen van riviersperring (1939)

In 1935 zijn in opdracht van de Marine gedurende een korte periode proeven uitgevoerd met infraroodfotografie. Een beperkte zichtverbetering werd geconstateerd ten opzichte gewone fotografie bij heiigheid. In juli 1938 werden eerste proeven gehouden met een door Philips ontwikkelde infraroodkijker. De proeven waren niet overtuigend al werd het belang ingezien van de vinding.

Direct na de bevrijding werden in 1946 – 1947 nieuwe proeven met de verbeterde infraroodkijker uitgevoerd. In 1948 is een apparaat voor detectie ’s nachts ontwikkeld met behulp van een zoeklicht. Al het licht van het zichtbare spectrum werd uitgefilterd terwijl het infraroodspectrum werd behouden. Het KNIL in Oost-Indië had dergelijke apparatuur nodig om personen in de rimboe op te sporen. Ook voor de Marine werd het infraroodonderzoek weer opgepakt, vooral om de detectieafstand tot schepen op zee met passieve middelen ’s nachts te kunnen bepalen.

In 1947 werden met een Platina bolometer-detector en een oude Duitse 60 cm diameter zoeklichtspiegel schepen bij Scheveningen tot op enkele kilometers afstand met infrarode waarneming gedetecteerd. De conclusie was dat infrarood scannen werkt aan de wal, maar op een drijvend platform zouden stabiliteitsproblemen ontstaan vanwege de lange verwerkingstijd.
Daarna werd in 1957 op basis van een zelfontwikkelde, gevoelige Golay warmtedetector (wiki: Golay) de waarnemingsafstand van schepen vergroot tot 15 kilometer zoals bleek uit proefnemingen bij Kijkduin.

Golay detector (1955)
Golay detector (1955)

In 1957 werd gestart met de ontwikkeling van halfgeleider-bolometers en fotocellen op basis van PbSe, PbS, CdSe en InSb.
 


 

Referentie

T. Nooijen (2015), Physics Research at RVO-TNO during the early cold war, Univ. of Utrecht (pdf)