Voormalige onderzoeksfaciliteiten: Meetstation Roeleveense Plas (Nootdorp) (1953 – 1995)

Meetstation Roeleveense Plas (Nootdorp)  (1953 – 1995)

Het meetstation Roeleveense Plas te Nootdorp is door TNO gebruikt voor zowel onderwaterakoestiekmetingen (sonarmetingen) als voor ontwikkelingen om onderzeeboten ‘onzichtbaar’ te maken voor radargolven. 

Onderwaterakoestiek (sonar)

Tijdens de ontwikkeling van transducers in de begin jaren ’50 bleek de meetinrichting op het vlot in de Waalhaven niet meer aan de eisen te voldoen:

  • het water was ter plaatse niet diep genoeg,
  • het achtergrondlawaai was te hoog door de nabijheid van scheepsverkeer en havens, en
  • de afstand tussen het laboratorium in Den Haag en de haven in Rotterdam was onpraktisch groot.

In 1953 werd besloten om een nieuwe meetfaciliteit in te richten op de Roeleveense plas naast de A12 nabij Nootdorp en naast de Hofpleinlijn (nu Randstadrail lijn E). De plas is een zandafgraving geweest voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog. Het zand is gebruikt voor het maken van een ongelijkvloerse kruising met de A12 op de plaats waar nu het Prins Clausplein ligt. Toen had men al plannen voor een verbinding met de Rotterdamse weg. Het taluud daarvoor is echter nooit gebruikt.
De plas is een dubbel driehoekig zoetwatermeer met zijden van 300 en 400 meter (zie de Google map).
 

Dieptekaart van de Roeleveense Plas (met dank aan de Nootdorps Pijnackerse Hengelsport Vereniging (NPHV))
Dieptekaart van de Roeleveense Plas (met dank aan de Nootdorps Pijnackerse Hengelsport Vereniging (NPHV))

Om de nieuwe faciliteit te maken zijn twee pontons uit de Rotterdamse Waalhaven naar de Roeleveense Plas overgebracht. Die pontons waren oorspronkelijk de gepantserde deuren die de Duitse Schnellbooten-bunker in de Waalhaven tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten beschermen. De gecompartimenteerde pontons waren gemaakt van half inch staalplaat en waren ieder ongeveer (lbh) 4 x 3 x 2 meter groot. In het ponton was er dus stahoogte. De beide pontons werden aan elkaar gekoppeld met een tussenruimte van 1 meter. Er werd een hijsinrichting aangebracht. Op ieder ponton stond een huisje: op de ene ponton een huisje voor het uitvoeren van metingen en op de andere een dieselmotor en dynamo voor de stroomvoorziening.

Het pontonvlot werd met vier ankers nabij het smalle gedeelte en boven het diepste punt (-18.5 m) van de plas gestationeerd (rechterbovenzijde van het linker witte vlak). De gedetailleerde dieptekaarten en bodemstructuur van de Nootdorps Pijnackerse Hengelsport Vereniging (NPHV) geven een goede indruk van de diepte van de plas; voor meer, zie hun webpagina.
Voor sonarmetingen moesten de medewerkers met een roeiboot vanaf een steiger aan de wal naar het vlot roeien. Dit was wat eenvoudiger als in de Waalhaven met de hoge kade van de oude Schnellbooten-bunker.
Het baksmechanisme op het vlot was oorspronkelijk afkomstig van de Hr.Ms. Paets Van Troostwijk en kon gekanteld worden zo dat de onderkant boven water kwam voor het monteren van een hydrofoon of transducent. Het baksmechanisme is nog steeds in gebruik in het onderwaterakoestiekbasin van TNO op Waalsdorp.
De rustige omgeving en de grote diepte kwamen ten goede aan de kwaliteit van de metingen speciaal voor frequenties beneden de 500 Hz. Wel maakte de dieselmotor voor het genereren van elektriciteit lawaai en stoorde de metingen. Het was in de winter een hele toer om de koude motor aan de praat te krijgen: hij moest met de hand aangeslingerd worden. Reden om in 1955 walspanning aan te leggen.
 

Montage van het vlot

 

De vier ankers worden aan boord van het vlot gehezen
De vier ankers worden aan boord van het vlot gehezen

 
Het ontwerp van het vlot zou metingen aan sonardoms mogelijk moeten maken (een “dom” is een stroomlijnvormige omhulling van de transducent die dient om het stromingsgeruis te verminderen). Helaas bleek later dat de opstelling ongeschikt was om dom-metingen uit te voeren aan de doms van de Frieslandklasse onderzeebootjagers.

Een nieuw vlot voor sonarproeven vanaf 1961

Hoewel het meetstation voor sonarproeven aanvankelijk aan alle wènsen voldeed bleek na een aantal jaren toch dat vervanging van het vlot nodig was. Ten eerste leidde de ontwikkeling van de sonartechniek van de zoeklichtsonar met één enkele te richten bundel naar ‘panoramische’ sonars met een combinatie van een aantal vaste bundels in een enkele transducent. Het tweede element in de ontwikkeling werd gevormd door het gebruik van lagere frequenties.
Beide factoren gecombineerd hadden tot gevolg dat transducenten en doms aanzienlijk omvangrijker en zwaarder werden. Het vervoer hiervan naar het vlot kon dus niet meer zoals voorheen per roeiboot geschieden. Daarom werd omstreeks 1960 besloten om een groter vlot te construeren in dezelfde plas. Het nieuwe vlot bestond uit twee pontons van 10 x 2 en twee pontons van 6 x 2 meter. Het rechthoekige vlot van 6 x 14 meter had daardoor een opening van 10 x 2 meter waar de beproeven objecten door naar beneden gelaten konden worden. Het vlot werd met een drijvende brugverbinding van vijf pontons van 6 x 2 meter met de oever van het andere driehoekige gedeelte van de plas verbonden. Het nieuwe vlot is goed zichtbaar op het Google maps figuur. Hiermee werd het mogelijk om objecten met maximale afmetingen van 2 x 2 x 4 meter en een gewicht van 5 ton te kunnen beproeven. Daartoe werd een smalspoor op de brugverbinding en de oever tot aan een hijsinrichting aan de Roeleveenseweg aangebracht. Ploegankers op de wal en kettingen hielden het vlot en de brug op hun plaats.
Omdat het meetvlot voorzien was van opbouw zoals staalconstructies voor de hijsmasten en een getimmerde meet- en werkhut lag deze dieper in het water dan de laatste ponton van de brugverbinding. Om een gelijke overgang te krijgen tussen de brugpontons en het meetvlot is in alle de brugpontons ballast aangebracht om een geleidelijke overgang naar het meetvlot te krijgen.

 

Hijsinrichting aan de Roeleveenseweg
Hijsinrichting aan de Roeleveenseweg

Boven het gat in het vlot bevindt zich aan de walzijde een 13 meter hoge vakwerkhijskolom waarmee objecten tot 1.80 m van de lorrie kunnen worden getild. De flens van de hijsinrichting kon tot 6 meter onder het wateroppervlakte worden gebracht. Via een elektrische lier waren twee hijskabels verbonden aan een evenaar onder aan de mast. Dat zorgde voor een gelijke belasting van de staaldraden. Een maximumbelasting van 5 ton kon gehezen worden. Ook heeft deze mast twee draaibare kolommen die onafhankelijk van elkaar 360 graden konden draaien. Dat kon zowel met de hand als met een elektromotor via het bedieningspaneel in het meethuisje.
Een tweede hijsmast is op zes meter afstand geplaatst. Die mast was van vierkantig profielijzer en werd met een handlier bediend. Ook deze mast kon zakken tot 6 meter onder het wateroppervlakte.

Het meetvlot was voorzien van een driefasen stroomaansluiting met voldoende vermogen voor de hijsmotor, een lasapparaat en de 12 kW zender voor 216TP5R transducent en overige (meet)apparatuur. Ook was het meetvlot met een kunststofleiding van zo’n 80 meter over de bodem van de plas aangesloten op het waterleidingnetaansluiting aan de wal. Overigens liep na verloop van tijd de kwaliteit van het drinkwater achteruit.

Dit vlot werd in 1961 in gebruik genomen.
Het oude pontonvlot werd overgedaan aan het Marine Elektronisch en Optisch Bedrijf (MEOB) dat het vlot nog enige jaren aan de zijkant van de plas met een brug als vaste oeververbinding gebruikt heeft. Toen het MEOB naar Den Helder verhuisde is dat op de Schnellbooten-bunkerdeuren naar de ‘kolenhoop’ (vliegasstort) aan de andere kant van de plas gegaan waar het nu nog steeds dienst doet als fundering van een opstal. 
TNO heeft de ‘nieuwe’ sonarmeetfaciliteiten uit 1961 tot midden jaren ’90 voor experimenten gebruikt. Ook dit vlot en de walfaciliteiten zijn daarna door TNO aan de Koninklijke Marine overgedragen.  

Vlotmodule klaar voor transport bij constructiebedrijf Jansen in Aalst
Vlotmodule klaar voor transport bij Constructiebedrijf Jansen in Aalst (+/- 1960)

 

Een dome met transducenten wordt binnengebracht
Een dom met transducenten van een onderzeebootjager wordt binnengebracht in de meethut op het vlot

 

De dom ingehangen in de uitgespaarde rechthoek; het draaimechanisme is zichtbaar
De dom van een onderzeebootjager ingehangen in de uitgespaarde rechthoek; het draaimechanisme is zichtbaar

 

Een te testen transducent op weg naar het meetvlot over de pontonbrug
Een te testen transducent is op weg naar het meetvlot over de rails op de pontonbrug

 

Een te testen transducent is op weg naar het meetvlot over de rails op de pontonbrug

 

Het gereedmaken van de panoramische transducent 216TP5R voor beproevingen. De transportrails zijn zichtbaar

 

Meetstation Nootdorp (Roeleveense plas) met hijstoren en pontonbrug
Meetstation Nootdorp (Roeleveense plas) met hijstoren en pontonbrug

Onzichtbaarheid onderzeeboten (‘stealth’)

Deze beschrijving volgt in het najaar van 2019.

De mast voor vroegere waarnemingsproeven met radar