Operationele Research: de vroege periode 1955 – 1964

Operationele Research: de vroege periode 1955 – 1964

Rond de tijd van de Tweede Wereldoorlog kwam een ​​nieuw onderzoeksveld genaamd Operations Research (Operationele Research) op. Operationele Research gebruikt wiskunde om de besluitvorming te ondersteunen. In de Tweede Wereldoorlog werd Operations Research met succes gebruikt door de Britten en Amerikaanse strijdkrachten, bijvoorbeeld om verliezen te verminderen die te wijten waren aan Duitse onderzeeërs die geallieerde schepen tot zinken brachten.
In 1950 legden professor George E. Kimball en natuurkundige Phillip M. Morse de basis voor Operationele Research met hun boek ‘Methods
of Operations Research’, waarin ze de definitie van Operations Research geven: “Operations Research is een wetenschappelijke methode om uitvoerende afdelingen te voorzien van een kwantitatieve basis voor beslissingen met betrekking tot de concrete acties waarover zij zeggenschap hebben“.
Het duurde even voordat Operations Research een onderzoeksgebied werd in het Physisch Laboratorium. In 1955 werd een werkgroep onder leiding van J.L. van Soest opgericht die zich toelegde op de optimalisatie van communicatiekanalen waarbij het zend- en ontvangvermogen werd gemaximaliseerd en de ruis moest worden geminimaliseerd. De werkgroep had veel vrijheid. De commissieleden begonnen vertrouwd te raken met de benodigde wiskundige kennis en de uitgebreid bestudeerde speltheorie, die aanvankelijk was gericht op informatieverwerking en operationeel onderzoek. Operationele Research is echter meer dan alleen het toepassen van speltheorie. Operatieonderzoek werd als zeer nuttig beschouwd voor Nederlandse militaire doeleinden, vooral nadat de Morse- en Kimball-literatuur eindelijk beschikbaar was. Omdat de oorsprong van operationeel onderzoek lag in radartoepassingen, het leek alleen logisch om operationeel onderzoek ook te betrekken bij de lopende radarontwikkelingen bij TNO en ook bij vuurleidingsystemen. Defensie begon te experimenteren met operationele researchtechnieken voor onderzeebootbestrijding. Aan het einde van 1956 werd de werkgroep omgedoopt tot “systeemonderzoek” en was hij ook gewijd aan signaalverwerking (specifiek voor geluidsdetectie). Systeemonderzoek van analoge vuurleidingssystemen op onderzeebootbestrijdingsschepen werd uitgevoerd om de optimale nauwkeurigheid te berekenen. Met deze gegevens en bekende fysieke beperkingen van ontwijkende manoeuvres werd een misvatting van zeeoorlogsvoering die een overblijfsel was van de Tweede Wereldoorlog opgeruimd.
In 1957 werd een elektronische boter, kaas en eierenmachine gebouwd die nooit zou kunnen verliezen op basis van ingebouwde speltheorie.

De boter, kaas en eierenmachine
De boter, kaas en eierenmachine

Tussen 1956 en 1964 werkte de werkgroep uitsluitend voor de Koninklijke Marine. Naast sonar- en vuurleidingsystemen ging in het begin veel aandacht naar het optimaliseren van het ruimen van zeemijnen. Gezien bekende fysieke beperkingen werd een optimaal mijnveegplan ontwikkeld. Hier werd veel waarschijnlijkheidstheorie gebruikt vanwege de ingebouwde activeringstijden die de mijnen bezaten.
 

Met dank aan T. Nooijen voor zijn achtergrondonderzoek naar RVO-TNO in de jaren 1947 – 1977 en zijn publicatie